Een rampzalige vaart

  • Home
  • Geschiedenis
  • Archieven
  • Contact

Vindplaats

    Universiteit Leiden

    Koloniale Verslagen

    1894

    Betreft: Verslag betreffende de immigratie en kolonisatie over het jaar 1893

Koloniaal Verslag, 1894

1) In maart 1893 werd door het Koloniaal bestuur de gelegenheid opengesteld om door zijne tusschenkomst immigranten uit Java te ontbieden. In het verslag van 1893 werd medegedeeld dat destijds reeds 475 als volwassen berekende Javanen waren aangevraagd, doch dat dit getal wel zou klimmen tot 600. Die verwachting werd overtroffen. Immers zijn er aangevraagd 637 als volwassen berekenden, en wel 295 ten behoeven van suiker- en 22 cacao- en koffieplantages. Op 30 april 1894 werd een telegram uit Batavia ontvangen, houdende bericht dat het Nederlandse stoomschip Voorwaarts van daar was vertrokken met 593 als volwassen berekende immigranten. Bij aankomst van het schip ter Reede van Paramaribo bleek echter dat aan boord waren 579 hoofden en wel 400 mannen, 155 vrouwen van 15 jaren en daarboven, 2 meisjes van 10 tot 15 jaren, 12 kinderen van 2 tot 10 jaren en 10 kinderen beneden 2 jaren. Op reis overleden er 32 (25 mannen, 6 vrouwen en 1 zuigeling) en na aankomst ter Reede van Paramaribo 3 (1 man en 2 vrouwen) Gedurende de reis zijn geboren 4 kinderen waarvan 2 levenloos.

2) Bij aankomst moesten er al dadelijk 95 worden geëvacueerd naar het militair hospitaal en later nog uit het depot 185, ongerekend 2 die reeds toebedeeld waren. In het geheel overleden er tot en met ultimo Augustus 65 hoofden waarvan 32 op reis, 3 op de Reede, 27 in het militair hospitaal, 2 in het depot en 1 op de plantage alwaar hij den dag te voren was aangekomen. Tot en met 7 september werden er 105 als hersteld uit het militair hospitaal ontslagen.

3) De behandeling in het militair hospitaal liet niets te wensen over en met de aldaar nog verpleegd wordende immigranten ging het volgens de laatste berichten veel beter. De voorlopig ingewonnen informatiën hebben niet geleid tot een strafvervolging tegen den schipper of den scheepsgeneesheer, daar het bewijs niet is geleverd dat zij zich aan misdrijf hebben schuldig gemaakt: terwijl eene vervolging van den schipper, naar aanleiding van de Nederlands-Indische ordonnantie van 13 october 1872 (Indisch Staatsblad no. 179)- gesteld al dat overtredingen van die ordonnantie bewijsbaar zijn - in Suriname niet kan worden ingesteld en de Surinaamse immigratieverordeningen in dit geval niet toepasselijk zijn, als zijnde alle overtredingen, die misschien door den schipper gepleegd zijn, buiten'slands begaan.

4) De toestand waarin deze immigranten zijn aangekomen heeft evenwel de vraag doen rijzen of in het algemeen wel de nodige zorg is besteed aan hunne inscheping en of wel met nauwgezetheid is nagegaan of bij het vertrek van de Voorwaarts uit Indië in alle opzichten was voldaan aan de voorschriften vastgesteld bij het aangehaalde ordonnantie van 13 october 1872 betreffende het vervoer van inlanders uit Nederlands-Indië naar vreemde havens. Den gouverneur-generaal van Nederlands-Indië is opgedragen daaromtrent een grondig onderzoek te bevelen.